Investeren in de directe omgeving van relschoppers

Mourad is straathoekwerker in Haarlem, hij werkt met jongeren die tussen wal en schip vallen en vaak met meerdere problemen kampen. Mourad heeft twee lange en pittige dagen achter de rug. In een telefonisch interview blikt hij terug op de rellen van de afgelopen dagen.

Dag Mourad, wat is jouw rol geweest de voorbije dagen?

Een straathoekwerker werkt nooit van negen tot vijf. Wij gaan op straat als jongeren op straat zijn. Maandagmiddag kregen we al allerlei berichten binnen, dat er opgeroepen werd tot rellen in de avond. Jongeren vertelden ons dat, ook de politie had ons gevraagd om ’s avonds de straat op te gaan. Mijn rol is vooral preventief, zeker deze dagen: in gesprek gaan met jongeren en in kaart krijgen wat er speelt.

Op maandag liep het ook in Haarlem zo uit de hand?

Ja, een paar ernstige signalen zijn toch te weinig serieus genomen. Dinsdag was de politie al stukken beter voorbereid. Als er ’s middags al verontrustende berichten rondgaan, dan moet je meteen in actie schieten. Een goede samenwerking tussen organisaties en instanties is zo belangrijk: de politie, straathoekwerkers, maar zeker ook de ouders! 

Hoe heb jij de heftige rellen ervaren?  

Heel heftig. In Schalkwijk is er met stenen maar ook met brandbommen gegooid. Radeloze moeders en vaders in pyjama gingen op straat op zoek naar hun zonen en klampten ons aan. Als je vanuit de openstaande ramen en deuren kleine kinderen hoort huilen, dan besef je dat dit echt heel ernstig is en dat de veiligheid van veel mensen in het gedrang komt.

Het is niet aan straathoekwerkers om zich in zo’n crisissituatie midden in het strijdgewoel te gooien, dat is de taak van de politie en de ME. Een agent die stijf staat van de adrenaline gaat echt niet naar het formulier kijken waarop staat dat ik me niet aan de avondklok hoef te houden, omdat ik straathoekwerker ben. Dus ik ben zo snel als ik kon uit de rellen weggegaan en ben rond het strijdgewoel blijven cirkelen. 

Heb je toen veel jongeren gesproken?

Ik heb me gefocust op de jongeren die ik ken en heb hun gevraagd om naar huis te gaan, in de hoop dat zij op hun beurt dan weer een paar vrienden wisten te overtuigen. Iemand die je niet kent en die heel opgefokt is, moet je op zo’n moment zeker niet de les gaan spellen. Vertrouwen is de basis van waaruit een straathoekwerker werkt, vertrouwen bouw je geleidelijk op.

Wat is jouw analyse van de groep relschoppers?

Het was een heel gemengde groep, met verschillende etnische achtergronden. Het geweld is op korte tijd vanuit dorpen als Urk naar de steden overgewaaid. Het relschoppen spreekt vooral kwetsbare jongeren aan die het al maanden extra zwaar hebben: ze wonen met acht mensen in een piepklein flatje, hun ouders missen de scholing om hen te ondersteunen met het thuisonderwijs. Het probleem is erg complex. Ouders worden gekort in hun uitkering als meerderjarige kinderen nog thuis wonen. Zo ontstaan er weer ‘zwerfjongeren’ die thuis uitgeschreven worden, in het heetst van de strijd weet een vader echt niet waar zijn negentienjarige zoon uithangt. Terwijl het juist zo belangrijk is dat de directe omgeving van de jongeren kan helpen.

Ik zag weinig meisjes deelnemen aan de rellen, wel zussen en moeders die naar hun broers en zonen op zoek waren. Ik vind het ook belangrijk om te melden dat de relschoppers echt niet alleen jongeren waren, er waren ook heel agressieve dertigers, veertigers en zelfs vijftigers.

Welke lessen kunnen we als samenleving trekken?

Deze jongeren moeten vooral weten dat ze in de gaten gehouden worden, maar ook dat ze gezien worden, dat er oog is voor hun problemen. Ook moeten we investeren in de directe omgeving, die moet betrokken en ondersteund worden.

Sommige politici en politiecommandanten richtten zich erg tot de ouders. Maar die ouders zien ook, net als hun kinderen, door de bomen het bos niet meer. Je moet hen niet terechtwijzen, maar juist betrekken en ondersteunen. Daarnaast is het belangrijk dat burgemeesters zelf de kalmte bewaren. Een goede burgemeester is een burgervader of -moeder, die bekommert zich om de hele kroost, ook de moeilijkere relschoppers. Als zo’n burgervader of -moeder zelf panikeert, pikken hun zonen dat op en dat is het recept voor verdere escalatie. En wat je zeker ook niet moet doen, is heftige woorden als ‘burgeroorlog’ gebruiken, die jutten alleen meer op.

Is het niet veel gevraagd, om ook begrip te hebben voor zij die geweld plegen?

Kinderen van dertien kunnen de gevolgen van hun gedrag niet overzien. Ze begrijpen niet dat je, als je een steen gooit omdat je boos en gefrustreerd bent, dit later in een rechtszaal kan worden berecht als een poging tot doodslag. Ik kan me voorstellen dat je zo jong en kwetsbaar bent. dat je je laat meeslepen. Dat wil niet zeggen dat ik het geweld goedpraat of bagatelliseer. Maar deze jongeren hebben echt hulp nodig, zodat ze weer een toekomst voor zich zien. En ook hun ouders kan je helpen. Dit is geen zwart-wit probleem, dit los je niet op door het leger in te zetten.

Dit telefonisch interview met Mourad Tijarti is op 28 januari afgenomen door Marie Meeusen

Met een mondkapje demonstreren tegen racisme

Telefonisch interview met Luciano Ölz (afgenomen op 4 juni 2020)

Luciano Ölz (37) is straathoekwerker in Amsterdam-Zuidoost. Hij was maandag bij de drukbezochte en veelbesproken Black Lives Matter-demonstratie op de Dam en maakte daar ook sprekende foto’s.

Was het een moeilijke keuze om maandag naar de Dam te gaan?

Nee, ik heb geen greintje twijfel gevoeld. Het onderwerp racisme is te belangrijk. De besmettingskansen in de buitenlucht zijn bovendien erg klein, zeker met voorzichtige demonstranten. Ik had overigens wel drukte verwacht, maar deze grote opkomst heeft me echt verrast.

Het was niet je eerste anti-racisme demonstratie?

Nee, zeker niet. Ik ben van Surinaamse afkomst en heb altijd al discriminatie en racisme ervaren. Mijn betrokkenheid in de strijd tegen racisme is nog groter geworden toen ik in 2010 vader werd. Rond die tijd laaide de Zwarte Piet-discussie ook op in Nederland. Ik ben nauw betrokken bij Kick Out Zwarte Piet en Stichting Nederland Wordt Beter. Ik was er ook bij in Gouda. Eén van de vele demonstraties waarin we massaal gearresteerd werden.

Hoe heb je zelf racisme ervaren?

Hoe niet? Racisme kent zoveel vormen. Ik ben flink geschoold in het onderwerp. Heb ook oor voor subtiele, onbedoeld kwetsende opmerkingen die veel voorkomen en dus een duidelijk patroon vormen en duiden op een diepgeworteld racismeprobleem in Nederland.

Ik heb algemene sociale wetenschappen gestudeerd. Tijdens de antropologielessen met honderden medestudenten kwam zelfs niemand naast me zitten. Toen ik toch in gesprek raakte, kreeg ik vaak te horen dat de ander me verkeerd had ingeschat. ‘Ik dacht dat je een gangster, een boef, een rapper was.’ Ik ben welbespraakt en ook een grote, zwarte man met tatoeages, piercings en veel goud. Dat uiterlijk weegt door en dan doemt er al snel een stereotype op. Alledaags racisme ervoer ik niet enkel op straat, in de bus, in de winkel, maar ook op de universiteit.

Ben je na je studie meteen in de hulpverlening gegaan?

Nee, ik was lang mentor-docent in het mbo, werkte in scholen met een zwaardere doelgroep. De persoonlijke begeleiding van deze jongeren vond ik altijd interessant. Maar steeds meer kwam het accent te liggen op onderwijsdoelen en targets halen. Ik werkte al een tijd als evenementfotograaf en heb me een tijd georiënteerd op mogelijke nieuwe stappen. Sinds maart ben ik straathoekwerker voor VBSCW, vlak voor de coronacrisis uitbrak.

Je werkt in Amsterdam-Zuidoost. Ervaren de jongeren met wie je werkt veel racisme?

Ik werk nu veel met jongeren met een Surinaamse, Ghanese of Antilliaanse achtergrond. Zij bewegen zich vooral onder elkaar en gaan niet vaak de wijk uit. Zolang ze naar school gaan of een baan vinden in Zuidoost, is de kans op confrontaties met racistische, flink bevooroordeelde Nederlanders nog vrij klein. Maar in het centrum van Amsterdam gelden er al andere kaders, laat staan in de rest van Nederland. Dan wordt het plots belangrijk om niet met een accent te praten, om er netjes uit te zien, geen tatoeage te hebben, niet te voldoen aan het stereotype,… als je als zwarte jongeling niet in een hokje geduwd wil worden. De jongeren met een Marokkaanse achtergrond krijgen het naar mijn gevoel overal nog zwaarder te verduren.

Wat is je gevoel over de demonstratie van maandag?

Ik vind het hoopgevend dat steeds meer mensen zich uitspreken over racisme: zwarte jeugd én witte Nederlanders. Dat Femke Halsema – een vrouw – zo gelyncht wordt, verbaast me niet. In Nederland wordt heel hard geprobeerd om steeds weer de aandacht voor de inhoud – het racismeprobleem – af te leiden naar discussies over de vorm: blokkades bij de Anti Zwarte Piet-protesten, het gevaar op coronabesmetting, Halsema. In Frankrijk en Engeland wordt er ook massaal gedemonstreerd, daar focussen de media niet zo op corona, wordt er veel meer een debat gevoerd over racisme. Maar Nederland valt massaal over deze vredige demonstratie. Tegelijkertijd wordt in de media met lovende termen gesproken over andere bijeenkomsten waarin veel mensen samenkomen, zoals deze week na het overlijden van de jonge voetballer in Utrecht. Dan wordt er niet over het besmettingsrisico gerept.

Hoorde je ook hoopgevende geluiden in de media?

In het Jeugdjournaal vertelden basisschoolkinderen hoe zij racisme ervaren. Dat geluid is belangrijk, hier draait het om! Wanneer komen deze kinderen ook aan het woord in het NOS-journaal? Gelukkig minimaliseerde Rutte het racismeprobleem deze keer niet. Ik ben geen fan van de man, maar ook hij zette hiermee een stap in de goede richting.

Interview door Marie Meeusen